Heemkring De Drie Rozen vzw

Kanunnik Hendrik De Jongh (1875 - 1915)

Deze grote dorpsgenoot komt voor in het bibliografisch werk "Naamboek der Voormannen en voorname Familiën der Kempen", opgesteld door Kanunnik J.E. Jansen, Archivaris der stad Turnhout.
Deze tekst is afgeleid van een artikel verschenen in het tijdschrift «Ons Volk Ontwaakt» van 10 april 1920.

In de Paasweek van het jaar 1915 verspreidde zich te Leuven een nieuws dat heel de Hogeschoolwereld met ontzetting sloeg : Mijnheer De Jongh is dood ! Eerst wilde niemand het geloven. Pas acht dagen tevoren was hij in Leuven geweest en nog wel in volle gezondheid - tenminste zo dacht men. Want sedert geruime tijd was hij aangetast door een hartziekte enkel bekend aan zijn intieme vrienden.

Hendrik De Jongh werd geboren te 's-Gravenwezel op 12 augustus 1875. Hij deed zijn humaniora in het klein seminarie te Hoogstraten, het beroemde gesticht dat, zoals men zegt "bij duizenden heerlijke krachten heeft opgeleid voor godsdienst en volk". Nergens heeft men er zo wel de slag van, idealisme en zakelijkheid in de opvoeding te verstrengelen en evenwichtig te doen groeien (Th. Van Tichelen in «Ons Geloof» van 1919).

Daar ontwikkelde zich in hem de roep tot het priesterschap. Na zijn studies in wijsbegeerte en godgeleerdheid in het Klein- en Groot-Seminarie te Mechelen werd hij priester gewijd in september 1898. In oktober van dat jaar kwam hij naar Leuven om er te studeren aan de Faculteit Godgeleerdheid. Aan de Hogeschool onderscheidde hij zich door zijn schrandere geest en zijn klaar verstand, van toen af verloren de overheden hem niet meer uit het oog.

In 1902 behaalde hij de titel van licentiaat in de Godgeleerdheid en kort daarna werd hij benoemd tot leraar aan het Klein Seminarie van Hoogstraten. Eerst gaf hij er de vierde Latijnse, later de Retorica en de leergang van Apologetica. Zijn leerlingen bewaren een diepe indruk van zijn lessen, vooral in het laatstgenoemde vak. Zijn uitleg was sober, maar klaar en wat de lessen misschien aan welsprekendheid te kort kwamen dat wonnen ze in grondigheid.

Lang zou De Jongh niet in Hoogstraten blijven. In 1906 werd hij benoemd tot leraar in de moraalteologie aan het Groot-Seminarie te Mechelen. Ook daar zou men professor De Jongh niet lang houden. Te Leuven sprak men nog te veel van hem en in oktober 1907 werd hij naar de Hogeschool geroepen om er Moraalteologie te doceren aan de "schola minor" of Amerikaans Seminarie. In 1910 ging hij over naar de "schola major". In 1911 werd hij benoemd tot Ere-Kanunnik van de Metropolitane kerk van Mechelen. De oorlog kwam echter zijn leraarsambt onderbreken, zijn studenten zouden hem niet meer terugzien. Op 6 april 1915 overleed hij plotseling in zijn geboortedorp, waar hij verbleef sedert het begin van de oorlog.

In de verschillende ambten welke hij vervulde is hij om zo te zeggen maar voorbijgegaan, maar overal liet hij een diepe indruk, als mens, als opvoeder en als geleerde. En wel in de eerste plaats als mens. De goedheid was de voornaamste trek van zijn karakter. En dan zijn kalme bedaardheid. Die goedheid en bedaardheid wonnen hem het hart en vertrouwen van zijn studenten, vergemakkelijkten hem de taak van man- en karaktervormer, van opleider van de jeugd tot mannen van overtuiging en van de daad. Hoeveel Amicitia-mannen vonden in de dagen van tegenkanting, naast hoogleraar Coppieters, in De Jongh hun beste steun, hun beste aanmoediging !

Professor De Jongh legde het er op aan bij de studenten een grondige overtuiging aan te kweken, een overtuiging aangepast aan de staat der wetenschap van die tijd. Daartoe vond hij gelegenheid in de Vlaamse apologetische kring "Geloof en Wetenschap" aan de Leuvense Hogeschool. Lange jaren was hij de ziel van die kring.

Zijn klassen waren modellen van helderheid en grondigheid, de ingewikkeldste punten der moraalteologie wist hij klaar en duidelijk voor te stellen, steeds met de geschiedkundige behandeling van de moraal op de voorgrond. Zijn functie als lesgever bepaalde niet de wetenschappelijke arbeid van De Jongh. De rol van een hoogleraar beperkt zich niet tot het uitdelen van wetenschap, hij moet ook meewerken aan het scheppen van de wetenschap. En ook op dat gebied schoot hij aan zijn plicht niet te kort.

Nog als student schreef hij een paar artikelen in de Leuvense "Revue d'Histoire Ecclésiastiquee. Als professor aan het Groot-Seminarie waren zijn studiën natuurlijk meer gericht naar de praktische kant, het doel en de aard van zijn onderwijs bracht dat mee. Van die tijd dagtekenen zijn studiën over "La mort réelle et la mort apparante" verschenen in de "Vie Diocésaine" van Mechelen in mei 1907, en zijn "Solutions quaestionum moralium" in hetzelfde tijdschrift.

Als hoogleraar richtte hij zich meer naar de geschiedenis, naar hetgeen men gewoon is te noemen de positieve kant der wetenschap, de ontwikkeling der christelijke dogma's en gebruiken. Zijn voornaamste werk, het verwierf hem de titel van Doctor in de Godgeleerdheid "honoris causa", is zijn geschiedenis van de Faculteit Theologie aan de Hogeschool van Leuven met als titel : "L'Ancienne Faculté de Théologie de Louvain au premier siècle de son existence (1432-1540)", verschenen in 1911. Dat proefschrift was een meesterwerk. Uit België, Nederland, Engeland, Frankrijk en Duitsland kwamen de vleiendste beoordelingen. Kenners noemden het werk een "definitieve geschiedenis" bestemd om "naast de werken van Valerius Andreas en Molanus een waardige plaats in te nemen".

Van alle kanten vroeg men De Jongh zijn studiën in die richting verder te zetten en een volledige geschiedenis van de Leuvense Faculteit van Godgeleerdheid of zelfs van de Universiteit uit te geven. En dat was inderdaad het plan van hoogleraar De Jongh. Daarvoor had hij reeds veel materiaal verzameld. Edoch de mens wikt, maar God beschikt, de dood heeft hem verrast en dit werk zal onvoltooid blijven. De brand van de beroemde biblioteek van Leuven maakt het verlies nog meer onherstelbaar, want veel documenten, alleen door De Jongh gekend, gingen voor eeuwig verloren. Enkele bronnen die van belang zijn voor een geschiedenis van de universiteit van Leuven, die berusten in het Rijksarchief van Brussel, zijn wel bewaard gebleven.

Wie de artikels van de hand van hoogleraar De Jongh wil kennen, raadplege de "Bibliografie" van de Leuvense Hogeschool. De Jongh werkte mee aan diverse tijdschriften, vooral dan de "Revue d'Histoire Ecclésiastique", het beroemde Leuvense tijdschrift dat door deskundigen gerangschikt wordt als het beste op het gebied van de kerkelijke geschiedvorsing. Als lid van de opstelraad van dit tijdschrift was De Jongh, naast Cauchie, een ijverige medewerker. Regelmatig leverde hij bijdragen voor de zo zeer geapprecieerde "Chronique" en de ontzaglijke "Bibliografie" die huns gelijken niet kennen in de hele wereld. Zelfs vanuit Amerika werd zijn medewerking gevraagd. Hij leverde namelijk het artikel over Lindanus, een oud Leuvens professor, in de Amerikaanse "Catholic Encyclopedia".

André Verbeeck(bewerking Roland Doclo)

Het graf van Kanunnik De Jongh bevindt zich nog steeds, nu reeds meer dan 50 jaar, op het kerkhof van 's-Gravenwezel.


Tekst : AV - Bewerking : RD 2/8/2017